Ga naar inhoud
Italiaans · 5 min lezen

Is Italiaans moeilijk om te leren voor Nederlanders?

Is Italiaans moeilijk? Voor Nederlanders is Italiaans een van de vriendelijkste talen om mee te beginnen. Je spreekt het grotendeels uit zoals je het schrijft, veel woorden ken je al uit de keuken en de muziek, en je hoeft geen nieuw schrift te leren. Toch zijn er een paar plekken waar bijna iedereen even op moet oefenen. In dit artikel lees je wat meevalt, wat tegenvalt en hoe je het slim aanpakt.

Het korte antwoord: het valt mee

Het Amerikaanse Foreign Service Institute (FSI) leidt diplomaten op in tientallen talen en houdt bij hoeveel lestijd dat kost. Italiaans valt in de makkelijkste categorie voor Engelstaligen, samen met onder andere Spaans, Portugees, Frans en Nederlands. Het FSI rekent voor die groep met ongeveer 24 tot 30 weken fulltime les, zo’n 600 tot 750 uur, om op professioneel niveau te komen.

Ter vergelijking: voor Duits rekent het FSI zo’n 36 weken, voor Russisch en Turks rond de 44 weken en voor Arabisch, Chinees en Japans ongeveer 88 weken.

Die cijfers gaan over Engelstaligen in een intensief programma. Een officiële lijst voor Nederlanders bestaat niet, maar we beginnen vanuit een vergelijkbare positie: veel woorden uit het Latijn herkennen we via het Engels en het Frans, en de zinsbouw is niet heel vreemd.

Wat Nederlanders makkelijk vinden aan Italiaans

  • Je spreekt het uit zoals je het schrijft. Ken je eenmaal de regels, dan kun je bijna elk woord hardop lezen.
  • Vijf heldere klinkers. Waar het Nederlands een hele reeks klinkers en tweeklanken heeft, houdt Italiaans het bij a, e, i, o en u.
  • Veel herkenbare woorden. Door het Latijn en de keuken herken je er zo een stuk of wat: importante, possibile, stazione, musica.
  • Geen naamvallen. Een Italiaans zelfstandig naamwoord verandert niet van vorm afhankelijk van zijn rol in de zin.
  • Vaste klemtoonregel. De klemtoon ligt meestal op de voorlaatste lettergreep, dus je zit vaak vanzelf goed.

Wat oefening kost: werkwoorden en dubbele medeklinkers

Werkwoorden. In het Italiaans verandert het werkwoord per persoon, en er zijn meer tijden dan in het Nederlands. Parlo, parli, parla: ik spreek, jij spreekt, hij spreekt. Daarbij komen verschillende verleden tijden en de congiuntivo. Het goede nieuws: voor je eerste gesprekken heb je vooral de tegenwoordige tijd nodig.

Dubbele medeklinkers. Dit is de val waar Nederlanders het vaakst intrappen. Een dubbele medeklinker houd je echt iets langer aan, en dat verandert de betekenis. Pala is een schep, palla is een bal. Nonno is opa, nono is negende. Wie dat negeert, zegt soms per ongeluk iets anders.

Lidwoorden. Elk zelfstandig naamwoord is mannelijk of vrouwelijk. Woorden op -o zijn meestal mannelijk (il libro), woorden op -a meestal vrouwelijk (la casa). De lidwoorden veranderen bovendien mee met de eerste klank van het woord (il, lo, l’) en smelten samen met voorzetsels: in plus il wordt nel, di plus la wordt della.

De uitspraak: een paar regels die afwijken

Italiaans spreek je grotendeels uit zoals je het schrijft, maar deze regels zijn anders dan in het Nederlands:

  • c en g voor e of i klinken zacht: ciao is “tsjao”, gelato is “dzjelato”.
  • ch en gh klinken juist hard: chiesa (kerk) is “kjeza”, spaghetti met een harde g.
  • gn klinkt als “nj”: gnocchi is “njokki”.
  • gli klinkt ongeveer als “lj”: famiglia is “famielja”.

Wie de uitspraak meteen goed aanleert, hoeft later niets af te leren. Daarom staat bij Taalkaarten de uitspraak op elke kaart, geschreven voor Nederlanders.

Wat je al spreekt, maakt verschil

Hoe makkelijk Italiaans voor jou is, hangt af van de talen die je al kent. Onderzoekers van de Radboud Universiteit lieten zien dat niet alleen je moedertaal, maar ook je tweede taal meeweegt bij het leren van een nieuwe taal. Hoe dichter die talen bij de nieuwe taal liggen, hoe beter je scoort.

Voor Italiaans betekent dat:

  • Spreek je Spaans, Frans of Portugees? Dan herken je een groot deel van de woorden en de grammatica al. Je voorsprong is groot.
  • Spreek je goed Engels? Dan herken je veel woorden via het Latijn, denk aan importante, possibile of differente.
  • Spreek je alleen Nederlands? Dan begin je iets verder weg, maar Italiaans blijft een van de makkelijkere talen om mee te starten.

Van eerste woord tot eerste gesprek

Hoe snel het gaat, hangt vooral af van regelmaat. Een realistisch beeld bij tien minuten per dag:

  • Na een paar weken kun je groeten, bedanken, iets bestellen en tot tien tellen.
  • Na twee tot drie maanden red je je in de meeste vakantiesituaties en voer je korte gesprekjes.
  • Na een jaar volg je langzame gesprekken en kun je over jezelf vertellen.

Is Italiaans moeilijk als je vloeiend wilt worden? Dat kost jaren, maar dat hoeft niet je doel te zijn. De meeste mensen willen vooral kunnen praten met de mensen die ze op reis ontmoeten, en dat ligt veel dichterbij.

Zo begin je slim

  1. Begin met woorden die je vaak nodig hebt. Groeten, bedanken, bestellen, getallen. Niet met grammatica.
  2. Test jezelf in plaats van te herlezen. Bedenk eerst het antwoord, kijk dan pas.
  3. Herhaal verspreid. Liever elke dag tien minuten dan een uur in het weekend.
  4. Zeg alles hardop. Zo train je meteen je uitspraak en je oren.

Ga direct aan de slag met Italiaans leren met taalkaarten.

Bronnen

  • U.S. Department of State, Foreign Service Institute: Foreign Language Training
  • Schepens, J., van der Slik, F. & van Hout, R. (2016). L1 and L2 distance effects in learning L3 Dutch. Language Learning, 66(1). ERIC
  • Encyclopaedia Britannica, Italian language

Zo leer je Italiaans met taalkaarten

Geïllustreerde flipcards met de uitspraak erbij, geschreven voor Nederlanders. Geen app, geen abonnement.

Bekijk de Italiaanse sets
Veelgestelde vragen

Goed om te weten

Nauwelijks. Het Foreign Service Institute zet beide in de makkelijkste groep talen voor Engelstaligen. Italiaans spreek je net als Spaans grotendeels uit zoals je het schrijft. Het grootste verschil zit in details: Italiaans heeft dubbele medeklinkers die je echt langer aanhoudt, Spaans heeft de rollende r en twee werkwoorden voor 'zijn'. Voor een Nederlander ontlopen ze elkaar weinig.

Voor de basis, zoals groeten, bestellen en de weg vragen, ben je met tien minuten per dag binnen een paar maanden een heel eind. Voor een professioneel niveau rekent het Foreign Service Institute voor Engelstaligen met ongeveer 24 tot 30 weken fulltime les, zo'n 600 tot 750 uur. Een Nederlander begint vanuit een vergelijkbare positie.

Omdat ze de betekenis veranderen. Pala met één l betekent schep, palla met dubbel l betekent bal. Nonno is opa, nono is negende. Een Italiaan hoort het verschil, dus het loont om de dubbele medeklinker echt iets langer aan te houden. Op de kaart staat de uitspraak erbij, zodat je meteen weet wanneer dat nodig is.

Ja, flink. Spaans, Frans en Italiaans komen allemaal uit het Latijn en delen veel woorden en werkwoordsvormen. Spaanssprekers hebben de grootste voorsprong. Let wel op: juist doordat Spaans en Italiaans zo op elkaar lijken, haal je ze in het begin makkelijk door elkaar.

Nee. De congiuntivo, de aanvoegende wijs, is voor veel leerlingen het lastigste stuk Italiaanse grammatica. Voor je eerste gesprekken heb je hem nauwelijks nodig. Een paar vaste uitdrukkingen kun je als geheel leren, de regels komen later.

Meestal op de voorlaatste lettergreep. Valt hij op de laatste, dan staat er een accent, zoals in città of caffè. Er zijn woorden waarbij de klemtoon verder naar voren ligt, en dat zie je niet altijd aan het woord. Daarom helpt het dat de uitspraak op de kaart staat.